Gedicht van Andreas Dèr Mouw:

Soms als je ‘s winters op ‘t besneeuwde pad
wandelt langs de beuken, vind je een plekje diep
in ‘t bos – ‘ is of een stukje zomer sliep,
dat met de zwaluwen mee te gaan vergat:

Geen sneeuw. Een herfstdraad. Mos. Een mug. Gepiep
van ‘t meesje tussen zonnig roodbruin blad.
‘ t Is of je haast de toverwoorden had
waarmee je zon en zomer wakker riep.

Zo vind je soms, als je oud wordt, plotseling
diep in je ziel een kleine herinnering
van toen je kind was, alles warmte en zon;

en ‘t schijnt alsof zo dad’lijk ‘t vizioen
werkelijkheid wordt – ‘ t lijkt bijna net als toen –
heel even is ‘t of je haast tov’ren kon.